Wie was Jantje Stalman – de moeder van Jan?

Aafke Steenhuis

(foto links Jantje met Fenne, Tine en Onje, ca 1912, foto rechts Jantje met Jan, Remke en Tine, 6.10.1928)

Op een morgen in februari 2007 drinken drie nichtjes met elkaar koffie in de keuken van het huis aan de Schepperbuurt in Termunterzijl, dichtbij de Eems. Jantje Bruggemann (geboren 1931) is de gastvrouw, Jantje Prak (1946) en Aafke Steenhuis (1946) zijn op bezoek om zich, vooral door de verhalen van Jantje Bruggemann, een duidelijker beeld te vormen van hun grootmoeder: Jantje Steenhuis-Stalman. Wat was zij voor een vrouw?

Eind 1938 is opa Johannes Steenhuis overleden. Opoe bleef daar alleen wonen, op dat boerderijtje, ver weg van de bewoonde wereld. Je kon er via een klein paadje door het land komen, met opstaande steentjes aan de ene kant, langs sloten en over bruggetjes. Ernaast liep de Breedelaan, daar gingen ’s zomers de karren over. In de strenge winter van 1946 heeft zij zes weken lang niemand gezien of gesproken. Ze kon heel best alleen zijn. Eten haalde ze uit de weck. En uit het zout, snijbonen in het zout. Geweckt vlees, of in het zult. Een stukje spek.

Ik ging geregeld bij opoe logeren. ‘s Morgens werkte ze in huis en in de tuin, en na het middageten deed ze de afwas. Ik zie nog dat teiltje op de keukentafel staan, met kokend water. Ze had geen afwasborstel, maar deed het met haar hand. Ze deed de borden in kokend water, en maakte ze met haar hand schoon. Als ze klaar was, zette ze weer een teiltje met water op tafel, en dan waste ze haar gezicht en haar armen.

Opoe is maar tot haar tiende jaar naar school geweest, en ik heb brieven van haar, waar geen enkele fout in staat. Ze kende alle landen op de wereld bij naam, die kon ze aanwijzen op de kaart, en ze wist ook alle hoofdsteden. Op de lagere school waren ze nog niet aan de breuken toegekomen, die heeft ze zichzelf eigen gemaakt. Ze vond het een gemis dat ze dat allemaal niet wist. Ze was heel leergierig.

Ze lazen thuis een krant, toen nog geen sterveling daar in de buurt een krant las. En opa las er ’s avonds wel uit voor. Opoe kreeg haar bakkerswaren van bakker Meter uit Meedhuizen. Met een zoon van de bakker was Remke bevriend. Hij kwam altijd het brood brengen en bleef dan een tijdje bij opoe zitten om met haar te praten, want ze had overal belangstelling voor.

Toen in 1938 opa overleed, was Jan al naar de ambachtsschool geweest, en Remke zat nog op de ULO. Tot die tijd ging je van mei tot mei naar school. Dat werd veranderd in van augustus tot augustus. De keuze was toen: deed je anderhalf jaar over een klas, of een half jaar? Remke deed het in een half jaar. Maar alle achten en negens waren zessen en zevens geworden. ‘Godverdomme,’ zei hij, ‘wat heb ik op mijn sodemieter gehad! Maar moeke,’ zei ik, ‘ik moest al die lesstof in een half jaar doen!’ ‘Niks mit neudig,’ (niks mee te maken) zei ze. ‘Een Steenhuis komt niet met zessen en zevens thuis.’ Ze was bezeten.