Malaria (1922-1928)

Johan Steenhuis

(foto: Jan Steenhuis ca 1922)

Mijn vader vertelde mij, dat hij als kind regelmatig rillend van de koude koorts, in de schoolbank van de Lagere School zat. De ziekte malaria kwam veel voor in het zuidelijk deel van de gemeente Delfzijl en het aangrenzende gedeelte van de gemeente Appingedam. Beide plaatsen kregen in het begin van de twintigste eeuw een malaria-comité.

In het archief van het malaria-comité van de gemeente Delfzijl is te vinden dat er wel vloeibare paraffine in de sloten werd gegoten waar veel larven van malaria-muskieten voorkwamen. Die larven hangen tegen het wateroppervlak aan en hebben ademhalingsbuizen. Door paraffine te gebruiken worden de larven afgesloten van zuurstof en gaan ze dood.

Bij parasitaire ziekten is er steeds sprake van één of meerdere vectoren (overbrengers van de ziekte, in het geval van malaria een zestal soorten van het soortenrijke geslacht Anopheles) én van een parasiet (in dit geval de protozo Plasmodium vivax). Er waren in het begin van de twintigste eeuw nog een aantal gebieden in Nederland waar malaria veel voorkwam, zoals op Walcheren en in Waterland (het gebied ten Noorden van Amsterdam). De gemeenschappelijke factor van al deze gebieden is de saliniteit van het oppervlaktewater. De larven van de Anopheles-soorten, die malaria overbrengen, ontwikkelen zich in brak water. Na de overstromingen aan de rand van de Zuiderzee in 1916 nam het aantal gevallen van malaria in Waterland sterk toe. Dokter Honig, die in 1903 huisarts werd in Nieuwendam, deed onderzoek tijdens de malaria-epidemie in 1919-1920 en promoveerde daarop onder andere met de hulp van de geniale en wereldberoemde bioloog en parasitoloog Prof. Dr. N.H. Swellengrebel, die toen hoogleraar was in Amsterdam.