Johan Steenhuis
Na de zomer van 1922 moest Jan voor het eerst naar de Lagere School in Meedhuizen. Ik vroeg aan mijn moeder ‘Moest hij dan over Schaapbulten naar school lopen?’. Ze zei ‘Nee, ze gingen binnendoor’. Op het bijgaande kaartje heb ik aangegeven hoe Onje, Fenne (Fenje) en Tine (Jantina) en later Jan en Remke naar school liepen. De watermolen, waar hun ouders watermolenaars waren van 1905 tot aan begin 1923 is aangegeven met het nummer 1.
Op de bijgaande kaart staan de cijfers 1 tot en met 7.
Vanaf de molen 1 (zie de blauwe lijn op de kaart) liepen Onje, Fenne en Tine (door de Meedhuizenaren die ze voorbij zagen komen bijgenaamd als ‘Hoantje, Hentje en Kukentje’ (=in het Nederlands Haantje, Hennetje en Kuikentje)) zuidwaarts langs het Afwateringskanaal en de Oostelijke dijk langs het Wagenborgermaar (die ook Stinkvaart werd genoemd) naar een hoogholtje (=hoog voetgangersbrugje) over dit kanaal. Ze staken het hoogholtje over en daar was een pad waarbij ze langs de watermolen van de Meedhuisterpolder (molen nummer 3) en langs de begraafplaats de kerk van Meedhuizen bereikten. Tegenover de kerk was de school.
In het voorjaar van 1923 verhuisde de familie naar het kleine boerderijtje aan de Breedelaan (‘Braidloan’, nummer 6) met 95 are grond. Jan en Remke liepen waarschijnlijk eerst een stuk over de Breedelaan naar het Zuiden en liepen daarna via een boerenree (=onverhard pad) door het ingepolderde Kleine Meer naar het Westen en bereikten zo het hoogholtje. Zie de groene lijn.
Tegenwoordig zouden we de weg die de kinderen moesten lopen niet comfortabel en in de winter ronduit ongeschikt vinden. De kinderen Steenhuis wenden echter snel aan hun route naar school.
In de 19e eeuw was er nog geen leerplicht. Als er ’s zomers zo’n 60 kinderen op school zaten, was dat ’s winters tot 20 verminderd. De rest van de kinderen bleef ’s winters thuis omdat de kleiwegen onbegaanbaar waren. Het slechte winterse schoolbezoek vanuit Schaapbulten werd toen verbeterd door in de herfst zand af te graven in Ideweer en Schaapbulten (want vlak onder de bouwvoor was dat zand daar aanwezig) en hiermee een zandpad langs de weg naar Meedhuizen te leggen.
- De watermolen van de Geefsweerstermolenpolder. Deze molen staat daar vanaf 1876, na het gereedkomen van het Afwateringskanaal van Duurswold en na de droogmaking van het Kleine Meer. De onderdelen van de molen komen van de afbraak van de watermolen, die op plaats 2 stond. In 1926 werd in deze molen een Brons ruwoliemotor van 25pK geïnstalleerd.
- Watermolen van de Geefsweerstermolenpolder sinds 1855. Het water dat werd opgevijzeld werd gebracht op het Kleine Meer.
- Watermolen van de Meedhuisterpolder, opgericht in 1864.
De molens 2 en 3 worden genoemd in de ‘Voorlopige lijst der Nederlandsche monumenten van geschiedenis en kunst’, deel XI De provincie Groningen, ’s Gravenhage, Algemene landsdrukkerij 1933. Zie daarin: Gemeente Delfzijl, bladzijde 48 onderaan:
Molen 2 wordt daar aangeduid als ‘achtkante watermolen in de Geefsweersterpolder, opgericht 1855, genaamd De rijzende zon’.
Molen 3 wordt aangeduid als ‘achtkante watermolen in de Meedhuisterpolder, opgericht 1864’.
- Tichelwerk (=steenfabriek) van de familie Rottinghuis. Deze fabriek verdween tussen 1928 en 1938 omdat al het omliggende land toen was afgeticheld. Deze fabriek was van de grootvader en de vader van Harmannus Rottinghuis, die de uitvinder was van het systeem Rottinghuis om snel veel huizen te bouwen. Zie de film van Beno Hofman ‘Beno’s Stad 326’, van 31 januari 2008 van Oog Groningen.
- Moordhut. Op 7 mei 1811 vond hier een verschrikkelijke moord plaats. In het huis dat hier stond werden vader, moeder en drie zoons van 9, 12 en 15 jaar vermoord. De daders waren twee Franse soldaten, die gelegerd waren in Delfzijl. Zij werden ter dood veroordeeld. Jaap Bottema heeft hierover een uitgebreid artikel geschreven in de Groningse Volks almanak 1976-1977. Jaap was leraar op de Mulo in Delfzijl en heeft o.a. onze tante Betsie lesgegeven.
- Boerderijtje met 95 are grond, waar de familie Steenhuis- Stalman sinds 1923 woonde. Oma Jantje Steenhuis-Stalman heeft het in 1951 verkocht.
- Hoogholtje over het Wagenborgermaar.