Schaapbulten. Midden in de wereld – waar Jan opgroeide

Aafke Steenhuis – Oorspronkelijk geschreven voor de Groene van 19 december 1979

(foto: Johannes Steenhuis, Remke, Jantje en Fenje, op het land, ca 1933)

Mijn vroegste herinneringen aan Schaapbulten: de leuning langs de planken over de sloten; mijn vader schoof de fiets met mij in het stoeltje achterop over de bat, ik hing angstig scheef en wilde de leuning grijpen, maar we waren al over de vlonder heen en mijn vader sloeg zijn been om de stang en verder gingen we, over een smal pad, een grijze streep door het groen, over andere vlonders, naar mijn oma. De harde knauwstem van vrouw Vogel bij wie mijn oma, en ik mocht mee, melk ging halen: ‘Wilst n koekje?’, waarop ik wegdook. De bedsteedeuren in de kamer die ’s avonds gesloten werden, waarna ik wegzakte in veren beddegoed en wattige dromen.

Drie jaar was ik, en die wereld, die tegelijk hard en zacht was, wijd en angstaanjagend, zit nog in me. Mijn grootouders, Johannes Steenhuis en Jantje Stalman, trouwden in 1903 en werkten hun hele leven op het land. Ze kregen vlak na elkaar drie dochters en jaren later nog twee zoons, die allen, op een na, de hoekige kin als een omgekeerd huis van hun moeder Jantje hadden. Dezelfde kin heb ik weer aan mijn twee kinderen doorgegeven. Jantjes zoons, Jan en Remke, zijn niet oud geworden. Maar de dochters, mijn sterke, vastberaden tantes, werden ongemerkt zestig en zeventig en tachtig en nog ouder, en bleven de degelijke vrouwen die ze waren. Onje, Fenne en Tine heetten ze. ‘Doar kommen Oanje, Henje en Kukentje aan’ werd er vroeger gezegd als de drie meisjes achter elkaar over de dijk langs het kanaal liepen, Haantje, Hennetje en Kuikentje. (…)

De eerste twintig jaar van zijn huwelijk was Johannes Steenhuis zowel watermulder als vaste boerenknecht. Overdag werkte hij bij de boer en zorgde Jantje voor de molen; ’s avonds en ’s nachts maalde hij als het nodig was. Op de molenberg was een grote moestuin waar behalve aardappelen en groenten voor eigen gebruik boerenkool, knollen en bietplanten voor de verkoop werden verbouwd.

(…)

Onje Steenhuis herinnert zich: ‘We woonden in een oud molenhuis met een grote kamer. Er waren twee bedsteden in en een theegoedkastje. Midden in de wand was een deur die naar een portiekje ging. Wij noemden dat de schotelkast, want er waren planken waar van alles op stond. Aan het eind van die kast stapte men even naar beneden en dan kwam men in de kelder. Voor het kelderraam stond een vlierbos. Bij zomerdag bleef het daardoor koel in de kelder, want hij was heel ondiep. Van de gang kwam men in de schuur. ’s Winters lag daar hooi in. Er was ook een koestal afgetimmerd. In een hoek was een plee zonder deur. Dat vonden wij als jonge meisjes verschrikkelijk, want als de schuurdeur open ging, zat je daar. Via de buitendeur kwam men op een roodstenen straat die naar de stookhut ging. In de zomer woonden wij daar. Daar werd gekookt en gegeten, er stond meestal een kookpot met varkensvoer.

En dan was er de grasvlakte die wij de molenberg noemden. Onze molen was een van de mooiste van de omtrek. Ze stond aan het Afwateringskanaal. Toen ik erg jong was, had die molen zeilen. Mijn ouders moesten dan op de wieken klimmen om de boel te regelen. Bij harde wind zeil minderen, bij kalmer weer zeil bijgeven. Eigenlijk net als op een schip. Die zeilen konden bij stormachtig weer met veranderlijke wind gevaarlijk zijn. Een molen moet altijd met de kop in de wind staan. Daar is een rad voor dat wij de kruihaspel noemden. En maar kruien. Maar soms ging de wind om. En zo’n molen is een machtig ding; het viel niet mee hem in de hand te houden. Later hadden de wieken een houten bekleding die van onderen, bij de kruihaspel, met gewichten geregeld kon worden. Als het hard waaide of de wind omging, dan liep de molen in een handomdraai met open hekken. De kruihaspel was wit geverfd. De molen zwart geteerd. Er moest veel gedraaid worden want de Geefsweerster polder was groot.

Voor de achterdeur was een straat die afliep naar het kanaal. Als men daar stond had men een prachtig uitzicht op de Farmsumer toren. En over het kanaal dat langs de steenfabriek liep. Die fabriek is later afgebroken door gebrek aan tichelklei. Maar toen ik klein was, was ze in volle werking. Er gingen veel schepen langs om stenen te laden, en ook beurtschepen en korenschepen voeren voorbij want vrachtauto’s waren er in die tijd nog niet. De schepen hadden geen motoren maar zeilen. Als de zon scheen viel er in de kamer een grote schaduw op het behang, wanneer een schip met vol tuig voorbij voer.’

(…)

‘Wij woonden ver afgelegen aan een kleilaan; het was ongeveer een uur lopen naar een beetje bewoonde plaats’ vertelt tante Onje. ‘Vader en moeder zorgden zoveel mogelijk dat ze zichzelf konden redden. Ze hadden hun eigen melk, eigen boter, ze maakten zelf karnemelksepap, er waren eieren, een varken in ’t vat, aardappelen in voorraad voor een jaar, snijbonen in ’t vat, gedroogde bonen in de kist, bieten, wortels en appels natuurlijk. Van die eieren gebruikte moeke haast niks want die werden verhandeld. Ze had een vorm met een bloemmotief, daar kwam de gekarnde boter in en dat werd omgekeerd en dan had ze een mooi pond boter, echte landboter. Met die boter en die eieren ging de kruidenier weg en zij kreeg in ruil daarvoor artikelen als koffie, thee en suiker. Meestal moest zij er wat bijpassen, maar ze zorgde ervoor dat ze zo weinig mogelijk betaalde, want geld had ze nooit veel.’

(…)

Elk jaar werd er een varken geslacht. Daar werd het hele jaar van gegeten. Tine Steenhuis herinnert zich dat het slachten bij hen thuis door oom Freerk, de slager, gebeurde. ‘Morgens vroeg kwam oom Freerk. Hij stak het varken een mes in de keel. Niet dat het beest eerst bewusteloos gemaakt werd of neergeschoten, maar hij wist precies waar hij stak. Oom Freerk lustte graag een borreltje. Hij ging naar moeke. ‘Hij is dood Jantje, hoor.’ En dan kreeg hij een borrel.

Het bloed stroomde eruit, en moeke moest erbij komen om het bloed op te vangen en erin te roeren, anders kwamen er kluiten in. Ze maakten er bloedworst van. Er moest de wereld kokend heet water komen voor de krabbers waarmee het haar eraf gekrabd werd. Dan kwam het varken aan de ladder te hangen, met de poten uit elkaar, de hals opgesneden. Als het zover was, kwam oom Freerk er weer aan: ‘Hij hangt aan de ladder Jantje.’ En dan kreeg hij weer een borrel.

Het varken bleef zo een dag hangen om koud te worden. Anderdaags kwam oom Freerk terug en sneed het in stukken, die werden gezouten en later opgehangen en gedroogd. Het bereiden van de worsten was moekes werk. Oom Freerk sneed de met, waar ze de worsten van maakte. Ik zie hem nog bezig met die scherpe messen, die haalde hij door een groot vat waar zout en kruiden bij gedaan waren, tot de vulling klaar was. Moeke had een horentje, een worsthorentje, daar paste precies een darm omheen, en daar werd de met almaar ingestopt, met de hand.

Zo’n darm moest je eerst helemaal schoonmaken. Hij zat vol met plukjes vet. Die darmen, dat zijn hele einden he, als je die uitrolt, en dan moesten wij meisjes ze vasthouden als moeke dat vet eruit haalde. En dan moest ik weer overgeven.’

(…)

Op zondagmorgen kwamen vaak de joden met vet. Tine: ’Wij meisjes sliepen in de bedstee, en om half acht riep moeke: ‘Toe, eruit komen!’ maar wij sliepen nog zo lekker. En o God, dan kwam Borach al binnen, Borach Sleutelberg die met zijn broer Levie in Farmsum woonde. Die sjouwden op zondagmorgen met vet of schapenvlees in geblokte handdoeken op hun hoofd in de buurt rond. Moeke deed de bedsteedeuren dicht en dan ging Borach op een stoel voor de bedstee zitten, en dan begon het gepingel. Zoveel vet zat erin, en zoveel moest hij er voor hebben. ‘Och man,’ zei vader, ‘dat is ja veel te duur, neem het maar weer mee’ en dan liep Borach weg en kwam weer terug, het kon wel anderhalf uur duren. En wij maar wachten tot hij weer wegging.’

Als er ijs was op het Afwateringskanaal gingen Johannes en zijn dochters schaatsen. Ze reden over het Zijldiep naar Termunterzijl of naar ’t Waar of het Schildmeer en brachten onderweg familieleden, die ze soms lang niet hadden gezien, een bezoek.

Johannes Steenhuis was een man van weinig woorden. Hij had verstand van gewassen, kon het weer voorspellen en had inzicht in ziekten van dieren en mensen. Jantje was feller en nieuwsgieriger en had een brede belangstelling. Maar ze was ook een stijfkop en kon, als ze kwaad was, wekenlang zwijgen.