Aafke Steenhuis
(foto: Werfsausweis Buna Werke 18.7.1942)
In de nazomer van 1993, een paar jaar na de val van het communisme in Oost-Europa, reden we met de auto naar Oost-Duitsland. Ik zat bij Belle en Jannis, die toen acht en zes jaar oud waren, op de achterbank. Ze waren onder hun dekentjes in slaap gevallen en leunden warm en zwaar tegen me aan. Bij Halle, in het oosten van Duitsland, gingen we van de autobaan af. Het was al laat.
We hobbelden over klinkerstraten, tramrails, langs oude fabrieken en verwaarloosde huizen. Ik keek rond naar uithangborden, was hier dan nergens een hotel, maar de spaarzaam verlichte gevels waren winkels of werkplaatsen, en zo reden we door tot de klinkerweg overging in een straatweg. Na een tijdje hielden de huizen op. Populieren langs de weg. Gevangenisbomen.
Ik tuurde naar buiten, naar een teken van leven in de nacht. Had mijn vader over deze weg gelopen? Zou ik sporen van hem vinden? Een boogbrug over een rivier. De Saale. Was het hier?
Een bord langs de weg: Schkopau. Schkopau: dat harde woord dat ik als kind had gehoord, aan Schlag en Sklaven moest ik denken, met de bittere klank op het eind.
En toen doemden schoorstenen op, rookpluimen, bakstenen gebouwen, hallen, loodsen, barakken, pijpleidingen, elektriciteitsmasten: een enorm, spookachtig verlicht fabrieksterrein, omringd door hoge hekken en prikkeldraad.
Voor het gebouw wapperden vlaggen, met daarop in zwarte letters: BUNA.
Schkopau. BUNA. Woorden als brandgaten in mijn jeugd. Verzwegen plekken. Tot voor kort wist ik niet waar ze lagen en of ze nog bestonden.
Mijn vader werd geboren in de Eerste Wereldoorlog, in 1916. Hij groeide op in een polder ten oosten van Delfzijl, in een watermolen. Zijn vader was boerenknecht en molenaar. De molen stond aan een afwateringskanaal dat zijn water op de Eems loosde.
Eind jaren twintig fietste mijn vader elke dag door het land naar de ambachtsschool in Appingedam. Hij zou geen boerenarbeider worden, maar een vak leren. In de jaren dertig, in de crisisjaren, kwam hij in de leer bij een smid in het gehucht Het Waar. Het was een tijd van armoede en angst voor werkloosheid. De smidsvrouw zocht het kleinste eitje uit de pan en legde dat met een zuinig gezicht neer bij het bord van de jongste knecht.
Eind jaren dertig werkte mijn vader als machinebankwerker op de scheepswerf Niestern in Delfzijl. Hij legde kranen, pompen en leidingen aan in de kustvaarders die er gebouwd werden. Hij hield van het werk. Het was feest als een schip voltooid was en met donderend geraas van de helling in het hoog opspattende water gleed.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog, in het voorjaar van 1942, werd hij op een lijst gezet voor de Arbeitseinsatz in Duitsland. Zijn eigen werfbaas was ziek, een andere baas had de leiding overgenomen en hem op de lijst gezet. Hij moest weg. Hij voelde zich verraden. Door brieven te schrijven over zijn onmisbaarheid en zijn kostwinnerschap probeerde hij aan de dwangarbeid te ontkomen. Tevergeefs. Als hij zich niet zou melden, zouden familieleden opgepakt worden.
‘Het is zo onwerkelijk. Het lijkt of ik droom’ schreef mijn vader in de herfst van 1942 vanuit het BUNA-Lager, Block 3, Barak 18, Stube 106 in Schkopau aan zijn jonge vrouw.
In juli dat jaar was hij ’s ochtends vroeg uit Delfzijl vertrokken. Op het hoofdstation in Groningen ontmoette hij andere jongemannen die naar Duitsland moesten. In Bentheim bracht een Transportführer met zijn Duitse herder de mannen naar de trein richting Osnabrück. Daar was luchtalarm. Om middernacht kwam de trein in Hannover aan. Weer luchtalarm. Tegen de morgen zette de trein zich in beweging naar het oosten. In Halle moesten ze overstappen. Ze werden op de Strassenbahn naar Schkopau gezet.
Met hun koffers op de nek sjouwden ze over een uitgestrekt fabrieksterrein met genummerde straten naar de noordkant van het gebied. Daar lagen de groene, houten barakken waar ze de drie ingrijpendste jaren van hun leven zouden doorbrengen.
Mijn vader sprak niet over de BUNA. Toen ik er meer van wilde weten, kon ik het hem niet meer vragen. Hij was plotseling, op 53-jarige leeftijd, aan een hersenbloeding overleden. Van een van zijn kameraden in de barak hoorde ik hoe het dagelijks leven er verliep.
Na hun aankomst moesten de jongens onder een gemeenschappelijke douche, terwijl intussen hun kleren chemisch werden gereinigd. Tijdens de keuring werden pasfoto’s en röntgenfoto’s gemaakt. Nadat ze etensbonnen hadden gekregen en in een kantine in de rij hadden gestaan voor een portie zuurkoolsoep met aardappels, werden ze in groepen verdeeld. Sommigen werden op een laboratorium te werk gesteld, de meesten in een van de fabriekshallen: een carbidfabriek, een zuurfabriek, een latexfabriek. Mijn vader kwam terecht in de werkplaats waar locomotieven werden hersteld.
De derde avond was er appel. ‘Heil Hitler’ begon de Oberlagerfuhrer. Hij had het goed met hen voor. De mannen konden met hun problemen bij hem komen. Ze waren hier om Duitsland te helpen in de strijd. Duitsland zou de oorlog winnen. Daarna kwam er een nieuw Europa. De Hollanders moesten daaraan meebouwen. Maar als ze niet hard genoeg werkten, dan zouden ze het merken.
Voor ontspanning werd gezorgd. Geregeld waren er gezellige avonden in de kantine. Die werden georganiseerd door het Deutsche Arbeitsfront, Abteilung Lagerbetreuung, in Verbindung met der National-Sozialistische Gemeinschaft Kraft durch Freude. Op zulke avonden zat de Oberlagerfuhrer op de eerste rij; voor de aanvang hield hij een geestdriftige speech. Bekende Duitse gezelschappen traden op. Zo speelde de Ostmarkische Alpenbuhne Die drei Dorfheiligen, het variété Sonne im Herbst bracht de danseres Ela von Haacht voor het voetlicht die in een gazen kleed mysterieuze visioenen uitbeeldde, een orkest speelde Walzerklange en Lili Marleen, en de tweelingzusters Margarita en Violette voerden een Symphonie der Schonheit uit.
Geregeld ook kwam ’s avonds in de kantine een Nederlandse SS-er een wervend verhaal houden om jongens te ronselen voor de Nederlandse Waffen SS of voor het Ost-Front. Opkomst verplicht.
Ter ere van de verjaardag van Hitler werd in het kamp een Puff, een barak met een wachtkamer en hokjes aan weerszijden, geïnstalleerd, bevolkt met Franse en Vlaamse hoeren. Ze joelden de mannen achterna als die ’s avonds afgemat van de fabriek naar het kamp liepen.
Op zondag wandelden de mannen door het dorp, in een weeë chemische lucht vermengd met een scherpe steenkoolgeur. Of ze liepen langs de Saale, waarin het afvalwater van de fabriek werd geloosd. ’s Avonds op hun kamer speelden ze kaart. De barakken waren in ruimtes met acht bedden ingedeeld, aan weerszijden vier stapelbedden. In de ruimte in het midden stond een tafel om aan te eten of te dobbelen. Van de kameraadschap met de jongens met wie hij drie jaar lang dag en nacht had opgetrokken, bleef na de oorlog niets over.
Door gebrek aan voedsel, kleding en hygiëne, door ontploffingen en ongelukken in de fabriek en door heimwee en opgekropte spanning was er veel ziekte.
‘Als je ziet hoe sommigen eruitzien, dan moet je haast schreien. Hoe dit in de winter moet, als het hier twintig tot dertig graden vriest, dat weet ik werkelijk niet. Hoe lang zal het nog duren?’ schreef mijn vader in de herfst van 1942 vanuit Barak 18 in Schkopau aan zijn vrouw, met wie hij een half jaar eerder getrouwd was.
BUNA. Wat voor fabriek was het? De naam BUNA is afgeleid van butadieen en natrium; met deze chemische bestanddelen kon synthetisch rubber worden gemaakt. Duitsland was na de Eerste Wereldoorlog zijn koloniën kwijtgeraakt en had dus niet meer, zoals Engeland en Frankrijk, toegang tot natuurlijke rubber uit de tropen. Rubber was essentieel voor de oorlogsindustrie.
In 1934 had een groot Duits chemiebedrijf, IG Farben, in samenwerking met het naziregime van Hitler, een stuk grond gekocht van de verarmde landjonker Von Trotta uit Schkopau. Het bedrijf had ontdekt hoe het op synthetische wijze rubber kon maken, van groot belang voor de productie van tanks, jeeps en vliegtuigen. In de heuvels in de buurt van Schkopau zat veel kalk en bruinkool, dat per spoor werd aangevoerd, en er was een rivier, de Saale, om het afval in te lozen. In 1938 werd de fabriek door Hitler zelf geopend. Vanaf 1938 produceerde de BUNA alle rubber voor het Duitse leger.
In de oorlog werkten er op de BUNA veertienduizend mensen, van wie de helft dwangarbeiders uit heel Europa waren. De Duitsers hielden er een streng hiërarchisch systeem op na. Uitgerekend was hoeveel calorieën een arbeider binnen moest krijgen om in leven te blijven. De Nederlanders kregen weinig en slecht eten, maar ze verhongerden niet. Fransen en Italianen kregen veel minder calorieën. Polen en Russen kregen het minst. Door razzia’s in Rusland werden de tekorten aan mensen aangevuld.
In een apart kamp, het Ostarbeiterlager, zaten tweeduizend Russen, van heel kleine kinderen tot hoogbejaarden, die door het Duitse leger uit hun dorpen waren gehaald. Omgang met Russen was streng verboden en het was ook streng verboden Russen of Polen wat eten of sigaretten te geven. Mijn vader werkte in de locomotievenwerkplaats met Russen samen.
Hij kreeg tijdens de oorlog, behalve het laatste jaar toen de verbindingen verbroken waren, behalve een wekelijkse brief, ook een keer per week een pakje met eten van zijn vrouw en schoonouders uit Delfzijl toegestuurd. Dat ging eerst per Nederlandse post, later via een zeeman die geregeld de Eems naar Duitsland overstak, via de Duitse post die tot eind 1944 functioneerde.
Tegenover de barak van de Nederlandse jongens lag het strafkamp van de krijgsgevangenen. Die marcheerden ’s ochtends in colonnes naar het gevaarlijkste en giftigste werk. ’s Avonds kwamen ze terug, doodmoe, onder strenge bewaking, in een vreemde marspas, met zieken en doden tussen hen in gedragen. Soms, als de Nederlandse jongens terugkeerden van de fabriek, zagen ze in het strafkamp mannen aan lantaarnpalen hangen.
De BUNA had een neventak in het concentratiekamp Auschwitz, waar gevangenen met een chemische achtergrond werkten, zoals de latere Italiaanse schrijver Primo Levi. Vanuit Auschwitz kwamen groepen gevangenen naar Schkopau om daar tijdelijk te werken.
Op het fabrieksterrein en bij de barakken waren schuilkelders. Er was vaak luchtalarm. Dan gilden de sirenes in de fabriek. Om de BUNA heen sloegen de bommen in; bij de Saale, bij het kerkhof, langs de weg. Maar de fabriek zelf werd niet geraakt. Er zat Amerikaans geld in, zei mijn vader later.
In april 1945 werden de dwangarbeiders en krijgsgevangenen van de BUNA door de Amerikanen bevrijd. Mijn vader klom met zijn makkers over de hekken van het fabrieksterrein en drong de keukens binnen. Ze gooiden armen vol brood en pakken meel naar hun barakgenoten.
Een paar dagen later begon hij naar het westen te lopen. Onderweg maakte hij zich meester van een fiets. Dicht bij de Nederlandse grens werd hij opgepakt door Amerikaanse soldaten, die hem naar Limburg brachten waar hij geïnterneerd en met lysol behandeld werd. Na een paar weken kon hij in de laadbak van een vrachtwagen naar het noorden reizen. De laatste tientallen kilometers, tussen Groningen en Delfzijl, legde hij te voet af.
Eind mei arriveerde hij, in de nacht, bij het huis van zijn vrouw, die bij haar ouders woonde aan de Singel in Delfzijl. ‘Er wordt aan de winkeldeur gerammeld’ zei zijn schoonmoeder die wakker geworden was. ‘Vast een dronken Canadees.’ ‘Ik ga kijken,’ zei haar man. En daar was Jan. Hij had de etenswaar mee terug genomen die ze hem drie jaar eerder hadden meegegeven voor uiterste nood: een blikje thee, vlees in blik. Zo vierden ze zijn terugkeer.
Na de oorlog huurden mijn ouders een vrijstaand huis aan de rand van Delfzijl. Het stond aan het slingerende Damsterdiep, bij een steenfabriek, niet ver van de scheepswerf van Niestern waar hij had gewerkt. Met een kar en een paardje vervoerden zij de weinige spullen die ze hadden weten te bemachtigen. Een vierkante gietijzeren kachel uit een Duitse bunker met een kookplaat waarin een cirkel gegraveerd was, in het midden stond Organization Tot. Op die cirkel had mijn moeder altijd een keteltje warm water staan. Zes stoelen van de zolder van een familielid. Een naaimachinetafeltje en een pannenuitzet van een boeldag. Een servies uit de winkel van mijn grootmoeder. En hoop op een betere toekomst. ‘Ik wil mij nooit meer ergens dik over maken’ zei mijn vader. Maar het lukte hem niet. Hij perste zijn jaren in Schkopau samen tot een smeulende prop en wond zich op over het onrecht in de wereld.
Een jaar na de oorlog ben ik in het huis bij de steenfabriek aan het slingerende Damsterdiep geboren. Naast ons woonde een oude man, Willem Lubbers, die in de schuur achter zijn huis een werkbank had. Hij maakte blokken en bootjes voor mij en vertelde over de steenfabrieken waar hij vroeger gewerkt had, over de kiepkarren en spoorbanen en de hete tichelovens.
Op zondag ging ik met mijn vader naar hem toe. In de leren leunstoelen bij het raam spraken de mannen over politiek. Ze stemden beiden voor de communistische partij. Soms zwegen ze en staarden naar buiten, over het Damsterdiep. Ik zat op de grond te spelen en hoorde de trage stemmen en keek naar de klok op de schoorsteenmantel: mannetjes met trompetten bewogen op een gouden bol in het rond, bij elke tik van een seconde schoven ze een stukje vooruit.
Mijn vader was na Duitsland een ander mens geworden, zei mijn moeder. Hij zat in zijn stoel en zei: ’Dat kun jij toch niet begrijpen.’ ’s Nachts als ik niet kon slapen, kwam ik hem soms tegen op de trap. Schichtig wendden we ons af om elkaar in het donker te laten passeren.
Mijn vader was een buitenmens. Hij werkte voor de waterleidingmaatschappij. Met een ploeg mannen legde hij waterleiding aan in de veraf gelegen streken van de provincie Groningen; bij het wad, in de veengebieden, op het Hogeland. Op zijn brommer ging hij in alle vroegte op weg. Soms moest hij ’s nachts werken, zinkers onder kanalen en spoordijken graven. Onder de wijde luchten van het Groningse land voelde hij zich vrij.
Eind jaren zestig, toen ik in Groningen studeerde, deed ik mee aan demonstraties tegen de Amerikaanse oorlog in Vietnam. In een lange stoet trokken we door de stad, op weg naar zaal Het Tehuis in de Lutkenieuwstraat waar een film gedraaid zou worden. Actievoerders van het Vietnamcomite vertelde over de strijd van het volk. ‘Moordenaars!’ riepen we tijdens de film naar de Amerikaanse soldaten die dorpen in Vietnam met napalmgas bombardeerden, en tegen hun leiders die hun dat hadden opgedragen. De ruimte was afgeladen vol. Tegen de muren hingen spandoeken met leuzen: ’Internationale solidariteit.’
Ik draaide me om en keek de zaal rond. Overal felle koppen, studenten, langharige scholieren, studiegenoten, de jongens van de studentenbeweging. En opeens zag ik, een paar rijen achter mij, mijn vader. Tussen al die jonge gezichten zag ik zijn kale kop, zijn verweerde gezicht, de vouwen bij zijn neus, zijn diepliggende grijze ogen die oplichtten toen hij mij zag.
Aan de rand van Schkopau vonden we die eerste nacht op onze reis door Oost-Duitsland een hotel. Met de slapende kinderen in hun dekentjes op de arm liepen we de trap op naar de enige kamer die nog vrij was. We legden de kinderen in bed en gingen wat drinken in de bar.
De BUNA, zei de hotelbaas, daar wist hij alles van. Duizenden mensen waren er na de hereniging van West-Duitsland met Oost-Duitsland ontslagen. Hij leidde jonge werklozen op tot kelners en koks in zijn hotel. De Oost-Duitse fabriek was net overgenomen door een Amerikaans concern, Dow Chemical. Jazeker, het bedrijf dat in de jaren zestig napalm aan het Amerikaanse leger had geleverd voor Vietnam.
De hotelbaas schonk glazen bier in. Na de oorlog was de BUNA een Oost-Duits staatsbedrijf geweest, de grootste producent van rubber en plastics in de DDR, vertelde hij. Voor de arbeiders waren er eigen sportverenigingen, theaters, een ziekenhuis, een zwembad. Hadden we nooit van die leus gehoord: ‘Plaste und Elaste aus Schkopau?’ Er werkten ook politieke gevangenen. Die werden elke dag met bussen uit de gevangenis gehaald en naar de gevaarlijke kwikzilverfabriek gebracht.
De volgende ochtend wandelden we met de kinderen naar het kerkhof van Schkopau en bleven staan bij de graven van de dwangarbeiders uit de oorlog, tientallen grijze stenen op een rij, ook Nederlandse namen zagen we. We liepen langs de Saale en de populierenbosjes. We reden door de poort van de BUNA het terrein op, naar de noordkant van het gebied. Daar was een grasvlakte met struiken en bomen. Ik zag een lichte verkleuring in het veld. Het gras was er dunner en onregelmatiger. Hier had Barak 18 gestaan, hier had mijn vader geleefd.
Daarna liepen we over het uitgestrekte fabrieksterrein dat nog steeds volgens dezelfde letters genummerd was. Dezelfde fabrieken stonden er nog: de chloorfabriek, de ethyleenfabriek, de laboratoria, de werkplaatsen.
De weg maakte een knik en ik zag een uitwaaierend spooremplacement; goederenwagons stonden stil en roestig op de rails, een ouderwetse locomotief kwam langzaam uit een donkere loods gereden. Er liep een jongeman naast, hij keek en stak zijn hand op.