Naar de ambachtsschool in Appingedam

Johan Steenhuis

(plaatje: tekenwerk Ambachtschool)

Toen Jan in de laatste klas van de Lagere School in Meedhuizen zat wilde zijn vader graag dat hij op de boerderij zou komen om het boerenwerk beter te leren. Jans oudste zuster Onje had al verkering met Henderik Bruggemann. Henderik werkte als machinebankwerker in Brons’ motorenfabriek in Appingedam.

Deze fabriek was opgericht door Jan Brons. Brons was een autodidact. Hij was de zoon van een smid in Wagenborgen en wilde op een gegeven moment niet meer naar de Lagere School. Hij mocht in de smidse van zijn vader experimenteren met het maken van machines. Hij had geen vreemde talen geleerd en daarom waren de Engelstalige handleidingen voor het maken van motoren voor hem aanvankelijk bijna onleesbaar. Toen hij het Engelse woord ‘petrol’ las dacht hij dat de motor op petroleum moest lopen. Wij weten dat ‘petrol’ = benzine. Door stug volhouden lukte het Jan Brons om zijn motor op petroleum te laten lopen! Brons verbeterde ook de dieselmotor door een voorverbranding in een verstuiverbak te laten plaatsvinden, waardoor de motor zonder brandstofpomp werkte. In het Gronings heet zo’n motor een ‘bakje(s)knapper’.

Brons zette zijn bedrijf om in een N.V., samen met de Appingedammer notabelen D. Bonthuis Tonkes, die de grond voor het fabrieksterrein aan het Damsterdiep leverde en vennoot en financier was en Mr A.T. Vos, die president-commissaris was. De Bronsmotor werd snel internationaal bekend en de fabriek deed goede zaken. Onje en Henderik overtuigden hun vader en schoonvader Johannes om Jan naar de ambachtsschool in Appingedam te sturen en daar het vak van machinebankwerker te leren.

Ondanks de wens van zijn vader kreeg Jan een fiets waarmee hij naar Appingedam kon, via de Breedelaan (in het Gronings ‘Braidloan), de onverharde weg waar het ouderlijk huis aan stond. Naast deze laan was een smal verhard voet- en fietspad waar hij kon fietsen. Soms moest hij over een plank fietsen om over een sloot te komen. Hij vertelde mij dat hij in het voorjaar vaak gezelschap kreeg van een ‘Baauwmantje’ (In het Nederlands ‘bouwmannetje’), dat is een witte kwikstaart die in het Gronings zo heet omdat op het moment dat de vogels weer terugkeren uit het zuiden het werk voor de akkerbouwers weer begint. Het baauwmantje vloog dan een tijd met hem mee terwijl hij fietste.

De ambachtsschool stond aan de Stationsweg in Appingedam. In de pauze gingen de jongens wel ‘deurtje bellen’ bij een huis waar een mooi meisje woonde. Jan bleef dan op de stoep staan terwijl zijn kompanen zich uit de voeten maakten. Hij leerde ook de stad Appingedam (in het Gronings heet de stad ‘n Daam’, de inwoners, zowel mannen als vrouwen heten ‘Damsters’) kennen.

Jan was op de ambachtsschool goed in de schoolvakken taal en rekenen. Hij was daarin meestal de beste of één na beste. Ik heb van hem nog een paar keurig verzorgde dictaten over het vak ‘stoom’. Er werd dus veel lestijd gespendeerd aan stoommachines (die al in de achttiende eeuw uitgevonden waren) maar de dieselmotoren die vlakbij in de Bronsmotorenfabriek werden ontwikkeld schitteren door afwezigheid.

Jans ambachtsschooltijd heeft drie jaar geduurd. Daarna moest hij het vak van smid in de praktijk leren in smederijen in Nieuwolda en ’t Waar en in de smederij aan de Wolddijk ten zuidwesten van Bedum.