April 1945: De BUNA wordt bevrijd door het Amerikaanse leger

Johan Steenhuis

(foto: Lager Schkopau)

Eén van de Nederlanders bij Buna leverde dit verslag van de bevrijding van het kamp: ‘Op 10 april 1945 zagen een aantal BUNA-arbeiders vanaf het dak van de BUNA-fabriek tanks kriskras door de velden rijden en hoorden ze geschut. Op een avond zagen ze een tank en stoottroepen van de Amerikanen. Vermoeide Polen in Amerikaans uniform, de geweren in de aanslag in een open formatie, lopende in twee rijen langs het weggetje van Korbetha (=een dorp daar vlakbij). Die nacht begon de verovering van BUNA en omstreken. De volgende morgen stonden er Amerikaanse wachten voor de fabriekspoort. De soldaten vroegen of wij honger hadden en of we wisten waar de voorraden waren. Dat wisten we. Met een groot voertuig werden de deuren uit het gebouw gereden en konden we onze gang gaan.’

Pa vertelde me het volgende verhaal. Er stonden hekken om de voedselvoorraden. ‘Een aantal van ons klom er overheen en zij gooiden het voedsel over het hek naar iedereen die daar stond. Toen ben ik met een paar mannen naar het Westen gaan lopen. Al snel hadden we elk een fiets georganiseerd (zo noemde je ‘gestolen’ in de oorlog). We reisden ’s nachts en schuilden overdag. Langs Sangerhausen en Nordhausen gingen we verder langs de zuidkant van het Harzgebergte naar het Westen.’

Verder naar het Westen in Duitsland werden ze opgepakt door het Amerikaanse leger. Ze moesten hun hemd omhoog doen en hun broek losmaken en daar werd DDT in gespoten. De Amerikanen waren erg beducht voor een ziekte die zij ‘typhus’ noemden en die in het Nederlands ‘epidemische vlektyfus’ heet. Deze ziekte wordt overgebracht door kleerluizen (dat zijn dus de vectoren, de overbrengers). Als de luizen een mens hebben gebeten produceren ze ontlasting. De huid wordt aangetast en de besmette mensen gaan krabben en zo komt de luizen-ontlasting met de ziekteverwekkers in de wondjes terecht. De ziekteverwekker is de bacterie Rickettsia prowazekii. De porte d’entrée van de ziekte is dus de huid, die door luizenbeten is beschadigd. Epidemische vlektyfus kwam in de Tweede Wereldoorlog in Duitsland en dan vooral in de concentratiekampen veel voor.

Wat wij in het Nederlands ‘tyfus’ noemen, heet in het Engels ‘typhoid fever’. Die ziekte wordt overgebracht door besmet drinkwater of besmet voedsel. De porte d’ entrée is dus het spijsverteringskanaal. Het is dus een heel andere ziekte.

De ‘Allied Expeditionary Force’ gaf een D.P. Index-kaartje aan Jan af. Er werd ook een grotere kaart afgegeven: een Allied Expeditionary Force Registration Record. Daar staat op dat er een DDT-behandeling is gegeven.

Jan en zijn kornuiten werden ondergebracht in een voormalige Duitse kazerne. Pa vertelde mij, dat er op de muur van de zaal waar ze verbleven, stond geschilderd: DU BIST NICHTS, DEIN LAND IST ALLES.

Hierna kon Jan verder doorreizen naar het westen. Hij kwam uiteindelijk op 9 mei 1945 in Nederland terecht en werd opgevangen in Rimburg, toen behorende tot de gemeente Eygelshoven in Zuid-Limburg. In Limburg verbleef hij een paar dagen bij een Limburgse familie, die goed voor hem zorgde. Op 15 mei werd er door de gemeente Eygelshoven een aanmeldingskaart voor gerepatrieerden afgegeven. Hierop staat dat Jan is ‘afgevoerd van Eygelshoven naar Delfzijl’.

Op 24 mei 1945 wordt de kaart in Delfzijl afgestempeld. Dat wil zeggen dat Jan pas eind mei op Singel 22 in Delfzijl aankomt. Het was midden in de nacht. Roelf Roelfs roept nog ‘Dat zal wel een dronken Canadees zijn!’. Maar nee, het was Jan!

Op 5 juni meldde Jan zich volgens de kaart op het gewestelijk arbeidsbureau in Groningen. Dat is het laatste stempel op de kaart.

Jan en Lies betrokken een huis aan de Rijksweg 106c in Delfzijl. Voor het huis loopt de rijksweg van Delfzijl naar Appingedam, langs het Damsterdiep. Het gebied aan de overkant van het Damsterdiep heet het Tuikwerderrak. Het Damsterdiep vormt hier een wijde lus, een meander en dat heet in de provincie Groningen een “rak”.

Jan ging werken bij machinefabriek Eisma en Lenting in Appingedam. Die fabriek was gevestigd aan het Jaagpad (dat heet nu Trekpad) langs het Damsterdiep in Appingedam. Deze fabriek heeft bestaan van 1925 tot 1957. Hij werkte er van juli 1945 tot 16 mei 1947.