Woonhuizen

Zuidhorn waar ik opgroeide was voor Groningen een groen dorp. Aan een mooie met eiken beplante laan, de Gast, woonden graag de notabelen en rentenierende boeren. Naast de meer traditionele, soms fraaie woonhuizen vielen twee modernere huizen op: een huis in Delftse Schoolstijl en het huis Linea Recta (1*) van architect Van der Vlugt (1925).

Links huis Arnichem, rechts huis dr Kremer in Delftse School
Linea Recta, Van der Vlugt 1925. Bijzonder, een huis van deze bijzondere architect, zomaar in dit Groningse dorp! Het huis oogt klein op deze plek, tussen de omringende woningen. Dit komt uiteraard door het neoplastische opdelen van het volume, maar ook omdat de verdere huizen aan de straat achter een scherm bomen staan terwijl dit huis geëxposeerd ligt, hier zijn de bomen weggehaald. Heeft opdrachtgever notaris Vink hier de eiken laten hakken onder het modernistische motto (van een Weens woningproject): ‘Licht in der Wohnung, Sonne im Herzen’?

In Delft volgde ik in het 2e jaar een project bij Jan Rietveld, zoon van Gerrit, en in zijn commentaren speelde de naam van Adolf Loos. Geïnteresseerd schreef ik een scriptie over Loos en ging in 1976 naar Oostenrijk om zijn werk te zien. Kenmerkend aan zijn werk is de vaak sobere hoofdvorm, met daarin een bijzonder ruimtelijk, complex, driedimensionaal spel van binnenruimtes, onderling verbonden door looproutes en zichtassen en bijzonder rijk in kleur- en materiaalgebruik.

Loos: Haus dr Müller (Praag, 1930). De complexe driedimensionale ruimtecompositie wordt georganiseerd door een ‘route architecturale’: de wandeling van de voordeur via een smalle gang naar een garderobe-voorruimte, en dan via trap met hoek (desoriënterend) via een voorhalletje (om de hoek en weer desoriënterend) naar de uiteindelijke hoofdbestemming, de (representatieve) woonkamer, waar weer verdere ruimtes aan geschakeld zijn: de eetkamer en de semi-prive vertrekken voor meneer en mevrouw. Aldo van Eyck noemde dit het consecutieve, de reeks van opeenvolgende ervaringen van licht naar donker, van klein naar groot, etc, niet lineair in de tijd, als in een film, maar in tijd én in ruimte – architecturaal.

In die tijd kon Haus Müller in Praag niet bezocht worden, dus moest je -het lot van de architectuurstudent- het huis met de beperkt beschikbare litteratuur tot in detail zien te begrijpen. Pas in 2015 heb ik het in het echt gezien.

In het derdejaarsproject woningbouw-stedebouw nam Max Risselada ons mee naar Parijs en zagen we het werk van Le Corbusier. Vervolgens heb ik naar zijn vroege ruimteprincipes onderzoek gedaan (2*). Later zou Max Le Corbusier met Loos verbinden in het onderzoek ‘Raumplan versus Plan Libre’ (3*) en daar kwam het huis Stein de Monzie aan de orde (4*), volgens Colin Rowe ontworpen op een ‘Palladiaans plattegrond-schema’. Maison Jaoul, ook van Le Corbusier was een compleet ander huis maar minstens zo indrukwekkend, met Catalaanse gewelven een soort ‘boerenhuis’ midden in Parijs.

Links gevel en plattegrond en schema villa Stein de Monzie (1927), daarnaast Rowe’s vergelijk met Palladio, rechts Maison Jaoul (ontwerp 1937). Het is fascinerend dat een architect binnen een decennium overgaat van een abstracte, industriële taal naar een brutalistisch, direct, bijna ‘boers’ handschrift. Overigens liet Lubetkin in die tijd ook al zien dat dit soort verschillen heel goed naast elkaar kunnen staan. Ook Siza (zie hieronder en 0043) liet zien dat niet gekozen hoeft te worden voor zus of zo, maar dat -soms ogenschijnlijke- tegenstellingen ín het ontwerp gebruikt kunnen worden.

Terug naar Loos, die op zijn beurt geïnspireerd werd door de traditie van Engelse landhuizen. Welgestelde Engelsen verlieten in de 19e eeuw met de opkomende industrialisatie de vieze steden, gingen op het platteland wonen en maakten daar comfortabele, praktische en intieme huizen die sterk verbonden waren met het landschap. Anders dan de gestileerde ‘Weense cultuur’ waardeerde Loos aan deze woonhuizen de gedistingeerde esthetiek, het vanzelfsprekende comfort en de technische vooruitstrevendheid.

C.F.A. Voysey, Broadleys (1898), Windermere.

In Duitsland was Hermann Muthesius een belangrijk pleitbezorger van de Engelse woonhuizen. Hij beschreef en analyseerde in ‘Das Englische Haus’ (5*) uitgebreid de opzet van de huizen, hoe ze in het landschap geplaatst werden, hoe de verschillende vertrekken verbonden waren met de (vaak verschillende) aansluitende tuinen (met een verbinding met tuinarchitectuur die zich ook vernieuwde), hoe die vertrekken in de loop van de dag en met de loop van de zon mee gebruikt werden, ook naar mate van representativiteit of intimiteit, en hoe de dienstvertrekken onopvallend maar praktisch op deze ordening aangesloten werden. De in eerste instantie in beeld en plattegrond vaak complexe huizen werden met hulp van Muthesius fascinerend lees- en vergelijkbaar.

Muthesius over Broadleys in ‘Das Englische Haus‘.

In deze huizen was sprake van een sterke differentiatie van vertrekken die op verschillende momenten van de dag gebruikt werden (als gevolg van een sterk gedifferentieerde en hoogstaande wooncultuur). De drawing-room (het hoofdwoonvertrek, vooral voor mevrouw) lag altijd op het zuiden en de dining-room doorgaans op het zuidoosten, maar kon ook op west of zuidwest worden georiënteerd. De study of library (voor meneer) op de avondzon. Deze reeks kon aangevuld worden met bv een leskamer voor de kinderen, een biljartkamer, etc, en een ruime en vaak ook extra hoge ‘hall’ als centrale ruimte. Om deze reeks van vertrekken op het juiste moment van zon te voorzien hadden de woningen veelal de langskant op het zuiden en de entree aan de noordzijde, een ordening die door Muthesius uitgebreid behandeld wordt.

Door het uitzicht van Broadleys op lake Windermere naar het westen en wellicht door het terrein heeft dit huis echter een entree aan de zuid-oostzijde gekregen, gezien bovenstaande een lastige puzzel. De ‘drawingroom’ ligt keurig op het zuiden (aan een ‘sunk rose-garden’) met ook een erker op het uitzicht. De dubbelhoge ‘hall’ oriënteert direct (prachtig!) op het uitzicht. De ‘diningroom’ ligt ook op het westen, gekoppeld aan de dienstvleugel; die sluit het terrein aan de noordzijde af.

Met zijn ‘functionele analyse’ had Muthesius grote invloed en werd gezien als voorloper op Duitse architecten als Häring en Scharoun die hun gebouwen ook op basis van functioneel gebruik de vertrekken ‘vrij en organisch’ organiseerden. Al weer een interessant hoofdstuk en verbonden met Alvar Aalto die in Finland het huis in het landschap en het landschap in het huis in elkaar over deed lopen. In 1980 en 1982 gingen we op de fiets in Finland de prachtige Aalto’s -en andere Finse architecten- bekijken.

Alvar Aalto, villa Mairea (1938): plattegrond en interieur als landschap. De woonruimte is een vrijwel vierkant gebied waar in de hoeken diagonaal een studieruimte en een atelier zijn uitgenomen. De resterende ruimte meandert hier tussendoor met een meer intieme zitplek bij de haard en de binnentuin, een muziekplek en een erkerachtige zitplek aan de voortuin, met op de einden grote glasvlakken waardoor de natuur naar binnen ‘stroomt’, een sfeer versterkt door de natuurlijke materialen binnen.

Met hun ‘landschappelijke’ architectuur hadden Scandinavische architecten als Aalto veel invloed op de na-oorlogse architectuur waarmee ik opgroeide – en daarmee is het verhaal weer terug bij mijn jeugd en Zuidhorn. Typisch voor die tijd zijn bv het ‘moderne’ huis van Gerrit Rietveld in Bergeijk of het meer ’traditionele’ van De Vlaming in Huizen. In deze bungalows zijn de verschillende functies als wonen, slapen en garage op één laag naast elkaar ‘uitgelegd’ en omsluiten in een haak een deel van de tuin.

Bungalows van Rietveld (Bergeijk, 1956) en De Vlaming (Huizen) (6*). Rietveld legt de gang met slaapkamers aan de tuinzijde (zodat de gang een ‘binnengalerij’ aan de tuin wordt) terwijl het gebruikelijk was om de slaapkamers op de binnentuin te oriënteren (zoals bij De Vlaming en Siza hieronder). Bij Rietveld ligt de entree tussen de garage en keuken, wat functioneel handig is (voor de boodschappen), maar waardoor je wel door de woonkamer naar de slaapvleugel moet (onhandig met pubers). Bij De Vlaming ligt de entree in de hoek tussen de woon- en slaapvleugel. Siza doet iets anders: de entree ligt op een knik, na een eerste entreehal volgt een klein halletje, een ‘sluis’, zodat hier met de knik een complex ruimtelijke spel ontstaat.

Het vroege woonhuis Alves Costa van Siza ligt in een non-descript villabuurtje en Siza kiest hier conform het tijdsbeeld, net als hierboven bij Rietveld en De Vlaming, voor een ‘uitgelegde’, horizontaal gedifferentieerde haakvormige plattegrond met vertrekken die een binnentuin afschermen maar met een bijzondere doorsnede.

Siza, Casa Alves Costa, Moledo (1968).

Het latere huis van Avelino Duarte ligt daarentegen geëxposeerd aan de hoofdweg van Ovar richting de kust. Het huis heeft het uiterlijk van een raadselachtige ingekerfde doos, Siza laat het ‘spreken’, en heeft, als Loos, een bijzonder ruimtelijk en rijk interieur.

Siza, Casa Avelino Duarte, Ovar (1984). Zie de rechter doorsnede: de ruimte beneden-voor wordt met een diagonale vide verbonden met de overloop-ruimte boven-achter. Een reeks trappen volgt deze diagonaal. Aan de vide liggen op de begane grond-achter een compacte besloten zitplek (met prachtige open haard) en op de eerste verdieping de slaapkamers.

Bovenstaand voorbeelden zijn slechts een deel van al die huizen die tijdens studie, reizen en werk passeerden. Engelsen als Bailly Scott, Lutyens, Mackintosh, de Amerikanen, van Wright en Californië tot aan Schindler, Kahn, de Whites en de Greys, Coderch, Japan, Brazilie, ga maar door. De ‘imagotheek’, zoals Frits Palmboom het noemde, en dat betreft niet alleen het letterlijke ‘beeld’ maar ook de plattegronden en achtergrondaspecten, deze wereld aan interessante huizen bleef groeien…

En, heb je er ook iets aan? Ergens komt het terug als je zelf aan de slag gaat met deze opgave en de imagotheek wordt een vrolijke compagnon en spiegel in het werk. Naast de uitgangspunten van de kavel en de wensen van de opdrachtgever blijken in ons werk thema’s op te duiken als de ‘Engelse’ ordening van vertrekken op zon en tuin, het ruimtelijke en driedimensionale in de combinatie van lange lijnen en meer intieme plekken, versterkt met het inbouwmeubilair. Maar actuele thema’s spelen er uiteraard ook doorheen, zoals gebruiks- en indelingsflexibiliteit, ontwikkeld in eigen werk (Kruisplein, Rotterdam en Terra Ferma, Almere); bij een programma van eisen voor het nu kijken we ook hoe dat in de toekomst zal functioneren, bij een andere samenstelling van bewoners en bij een veranderend gebruik van het huis. Leuk werk hoor!

Woonhuis in Groningen

Een paar keer kreeg ik de kans om een woonhuis te ontwerpen. De opdrachtgevers van dit huis in Groningen hadden een duidelijke lijst met wensen, zoals een ruime eetkeuken om met een grote groep mensen te kunnen eten, het kunnen afsluiten van de eetkeuken en de woonkamer, de relatie van vertrekken met de tuin en de omgeving, een werkkamer gericht op de tuin en een werkkamer gericht op de hemel.

Omdat de kavel beperkt van omvang was, is de woning zoveel mogelijk naar de noordkant van het terrein geschoven, een oprit vrijlatend. Aan deze zijde in de verder gesloten noordgevel zit de entree, die gemarkeerd wordt met een luifel van hout (waarin de badkamer). De entree voert onder het bad door naar een hal van twee verdiepingen. Aan deze hal ligt op de begane grond een waaier van vertrekken: op de ochtendzon en aan een overdekte veranda de eetkeuken, die met een schuifdeur te verbinden is met de woonkamer (met hoger plafond) die georiënteerd is van zuidoost tot west, en de woonkamer heeft via een schuifdeur verbinding met de werkkamer die is georiënteerd op de middag- en avondzon. Op de verdieping liggen aan de dubbelhoge hal de hoofdslaapkamer op het zuidoosten (later opgedeeld in twee kinderkamers) en een werkkamer (later de hoofdslaapkamer), met de badkamer boven de hoofdentree ertussen.

In het interieur zijn de keuken en houten (schuif-) wanden ingebouwd. Op de plek waar aanvankelijk de garage gedacht was is het huis in 2013 uitgebreid met een ruime fietsenberging en een extra kamer. Een mooie, compacte en ruimtelijk rijk gedifferentieerde woning, prettig georiënteerd op zon en tuin.

links begane grond, rechts verdieping
  1. het toegangspad aan de noordzijde van de kavel leidt naar de voordeur (onder een luifel met daarboven de badkamer)
  2. entree via een lage voorhal met veel glas, ‘nog half buiten’, met aan weerszijden
  3. linksachter het toilet en
  4. rechts (onder de trap) de garderobe
  5. via de vide in de dubbel hoge hal valt licht van boven (in de as van de woonkamer)
  6. via de voorhal (2) een lage terugblik in het groen
  7. vanuit de voorhal (2) is diagonaal de deur naar de eetkeuken, die op de ochtendzon ligt (zuidoost)
  8. met daaraan toegang tot de veranda en de tuin
  9. op de as van de dubbelhoge hal (5) ligt de woonkamer. Deze ruimte is hoger en is van zuidoost tot west georiënteerd op de tuin
  10. de eetkeuken en de woonkamer zijn te verbinden met een schuifdeur
  11. een werkkamer ‘met uitzicht op de tuin’ en de middagzon, bereikbaar vanuit de hal (2) en via de
  12. schuifdeur vanuit de woonkamer. Als ook de schuifdeur naar de woonkeuken (10) open staat ontstaat een waaier van doorgaande, gedifferentieerde ruimtes aan de tuin.
  13. op de verdieping was een werkkamer ‘met uitzicht op de hemel’ ontworpen. Deze ruimte is later gebruikt als slaapkamer
  14. met aan de oost- en zuidzijde twee kinderkamers

noten

(1*) zie het prachtige boek van Joris Molenaar over Brinkman en Van der Vlugt Architecten, nai010 uitgevers

(2*) Roelf Steenhuis, le corbusier; domino, pessac, citrohan, O 3, 1982

(3*) Max Risselada ea, Raumplan versus Plan Libre, 1991

(4*) deze beide huizen zijn gekozen vanwege het artikel van James Stirling, ‘Garches to Jaoul, Le Corbusier as domestic architect’, Architectural Review sept 1955. Ook interessant over Le Corbusier zie bv Alan Colquhoun, ‘Formal and Functional Interactions: A Study of Two Late Buildings by Le Corbusier’, Architectural Design 1966 en Rowe and Slutzky: ‘Transparancy: Literal and Phenomenal’, Perspecta, 1963

(5*) Hermann Muthesius, Das Englische Haus, vertaald als The English House, 1979

(6*) uit: Walter Betting en J.J. Vriend, Bungalows, 1958. Dit lag in de dorpsbibliotheek. Bibliotheken waren zo belangrijk!